Zaterdag 20 september 2014

DEEL 2 van het persoonlijk verslag van Gijsje.

Donderdag 4 september.

BH-feest.
Aan het einde van de ochtend zijn we even door de patiënten heen. Ik haal de drie volle tassen met BH’s te voorschijn en kieper ze op de behandeltafel. Ruth vraagt voorzichtig of er voor haar ook eentje bij zit, ze is erg mager en bijna plat. “We gaan kijken Ruth, er zijn niet zoveel kleine maatjes, maar er is er vast wel eentje voor jou bij.” Ze glimt al van te voren! Ruth en Agnes (die iets meer heeft), sorteren de kleine maatjes er uit. Dan komen er een paar dames voorbij wandelen die ook op het terrein werken. Eén kreet is genoeg en ze staan binnen, bekijken met grote ogen al dat moois. Eerst nog een lichte aarzeling en dan gaan de borsten bloot. Gelukkig vinden we er één voor Ruth en Agnes. Als ze daarna hun kleren weer aan hebben voelen ze helemaal blij hun BH “zitten”, aaien er over en dansen door de kliniek. Er is nog één klein vrouwtje met net niks, ze bekijkt hoopvol de kleine maatjes en ik pas haar een lichte kanten BH. Ook die is te groot, ze kan haar teleurstelling nauwelijks verbergen. Maar dan vouw ik aan de binnen kant de overige stof over elkaar en zeg haar dat ze dat vast kan naaien, dan zit het precies goed.

 

DSC05647

Tjonge de blik in haar ogen! Zo trots, zo blij, en mooi dat ze ‘m aan houdt! Eenmaal de kleren weer aan aait ze voortdurend over haar boezem, ze kan er bijna niet mee stoppen. Elke vrouw die een mooie BH aan heeft, danst zingend door de kliniek: “Thank you Haisje, thank you, thank you Haisje!” Hierbij dus voor alle dames in Nederland, die welwillend hun mooie BH’s hebben weggegeven: jullie hebben heel veel vrouwen ontzettend blij gemaakt, dank jullie van harte uit naam van deze vrouwen! Twee dagen later waren alle BH’s opgelost. De BH’s die ik niet mee heb kunnen nemen, ga ik opsturen zodra ik thuis ben.

BH-feest

De verpleegkundige, annex vroedvrouw is een kleine, parmantige dame die zo dik is dat je haar bijna alleen nog maar kunt rollen. Ze beweegt zich zwoegend en steunend voort, heeft een vaste aanstelling en woont dus op het terrein. Haar stem lijkt altijd wel te schreeuwen maar ze is heel vriendelijk. Overdag werkt ze in de kliniek, assisteert de dokter en ‘s nachts doet ze in haar eentje de bevallingen, dat is hard werken! Ik kan met geen mogelijkheid haar leeftijd raden. Ruth vertelt dat ze voor een rijtje kinderen van haar gestorven verwanten zorgt. Dat gebeurt hier vaak, mensen overlijden jong aan ziekten, ongelukken of aids. De kinderen zijn automatisch voor de familie.
De dokter is deze maand een jonge vrouw, Judith, ze is vijfentwintig en bijna afgestudeerd voor arts. Als ik het goed heb begrepen doet ze in maart eindexamen. Ze loopt hier stage. Oftewel: ze doet praktijkervaring op. Zonder begeleiding, je redt je maar. Judith is erg blij met vrouwelijk gezelschap, voelt zich best een beetje eenzaam, we kunnen het prima vinden samen. Een vaste arts vinden voor hier is een crime, bijna geen enkele arts wil hier in het arme noorden wonen. Dus wisselen ze per maand zo’n beetje.
De kliniek is om half acht open. Nou ja, zo’n beetje na half acht komen de homeopaten en patiënten binnen druppelen. Geen haast alstublieft. Mijn Nederlandse punctualiteit, als het om tijd gaat, past zich snel aan. Het werkt ontspannen.
Een dag ziet er heel gevarieerd uit. Als wij deze dag arriveren zit er al een man in de wachtruimte. Ruth kijkt een beetje bezorgd, wijst naar buiten en tikt tegen haar hoofd: “He is mentally!” omdat ik haar niet direct begrijp (mentally kan een heleboel betekenen) pakt ze de status van de man en dan zie ik het al: 35 jaar oud, hoogstwaarschijnlijk ooit beroerde drugs gebruikt en nu chaos in het hoofd. Diagnose: schizofrenie. Een geschiedenis van geweld, huisgenoten bijten, meubels door de kamer smijten enz. de man heeft de keren dat hij kwam prima gereageerd op Stramonium en Ruth vraagt mij te kijken af er alternatieven zijn. Ik leg haar uit dat, gezien de geschiedenis, wij hem niet kunnen genezen, hoogstens helpen met wat rust in zijn hoofd brengen, daarom komt de man met regelmaat terug, ondanks de twee uur lopen. Wij blijven hem Stramonium geven. Ruth geeft hem omzichtig zijn flesje met zijn middel. Hij betaalt niet en vertrekt. Ineens staat hij weer binnen en ik voel mijn collega’s verstijven. Ik loop naar de man toe en kijk hem vragend aan: het blijkt dat hij mij alleen even gedag wilde zeggen. Ik wens hem het beste en nu vertrekt hij echt. Ruth vertelt dat hij de laatste keer dat hij er was, de ambulance startte en weg wilde rijden. En natuurlijk begrijp ik hun omzichtige gedrag. “Arme man,” zeg ik, “zie je de onrust in zijn ogen?” Maar Ruth en Agnes zijn voornamelijk opgelucht.
Daarna is het even rustig – de tijd wordt benut voor lesgeven, er is een vraag naar aanleiding van een casus van de vorige dag, het is leuk lesgeven aan mensen die heel graag willen leren. Even later komen er twee dames bij zitten en ze wachten rustig tot ik ben uitgepraat. Ze komen voor een BH. De deur gaat dicht, geen man die er iets mee te maken hoeft te hebben met zijn nieuwsgierige hoofd en uit het restant vinden we nog een paar goed passende BH’s. Vrouwen blij, deur weer open, tijd voor de inmiddels gearriveerde patiënten. In dit jaargetijde – het is nog steeds winter- hebben we voornamelijk te maken met hoesten, braken en diarree, en koorts. Niet echt malaria, dat hebben we in de zomer als het bloedheet is en regent en de muggen welig tieren. Het lijkt simpel, maar hoesten ontaard hier heel gemakkelijk in longontsteking en braken en diarree kan door de uitdroging al snel dodelijk zijn. Met name de kinderen zijn door de eenzijdige voeding kwetsbaar.
Voor ik het weet komt Nelly binnen met een dienblad met thee, onafscheidelijk vergezeld door een schaaltje biscuitjes. Tea time! Voor mijn collega’s is dit hun ontbijt. Ze staan om een uur of vijf (of vier) op, doen hun huishouden en Ruth moet twee uur lopen voor ze bij de kliniek is. Ze kopen wat broodjes langs de weg en om tien uur rammelen ze van de trek.
Ik heb mijn horloge maar afgedaan, de tijd is niet belangrijk, die wordt vanzelf ingevuld door de gebeurtenissen.
Daarna weer aan de slag: een moeder met hoofdpijn en buikpijn. Het heeft geen zin om naar de mind-symptomen te vragen, we moeten het doen me de physical symptoms. Malawiers zijn niet gewend om over hun gevoelens te praten, als je dat al doet, kijken ze je stomverbaasd aan. Er arriveert en vrouw met een jongetje van zeven jaar. Het jongetje kijkt doodsbang, blijkt niet haar eigen kind te zijn. Zijn moeder drinkt te veel en kijkt niet naar de kinderen om. Het kind is eigenlijk alleen wat ondervoed en wij leggen uit dat deze jongen gebaat is bij goed voer en een hoop liefde. Ze krijgt een food package mee.
Daarna lunch. Die bestaat steevast uit een klodder maisbrij, die nergens naar smaakt, vergezeld met óf bruine bonen, óf groene blaadjes die wat op spinazie lijken en erg zout zijn, óf kool. Eén keer in de week vlees. Het is het standaard menu van de Malawiërs. Ze krijgen hier op Eva Demaya onder de middag heel goed te eten. Aangezien ik al een goed ontbijt achter de knopen heb, eet ik weinig. Ze vragen me steevast bezorgd of ik wel in orde ben.
We hebben een heel uur voor de lunch. Aangezien ik van het gekwetter dat na het eten losbarst, geen steek versta, ga ik lekker zitten breien. Vierkantjes voor de deken voor de baby van Job en Tatjana die deze maand geboren gaat worden. Dat vinden de vrouwen interessant en inmiddels heeft Ruth het patroon te pakken, ze gaat van restanten ook een deken breien. Een volgende bijdehante dame zegt dat ze twee maanden zwanger is en ook wel een deken wil. Ik vraag haar doodbedaard of ze kan breien. Nee”, zegt ze hoopvol. “Zorg dat je iemand vind die het je gaat leren”, reageer ik. Ik ben inmiddels gewend aan de gemakkelijke manier waarop Malawiërs je iets kunnen vragen.
Naar aanleiding van de komst van mijn kleine kleinkind vragen de vrouwen hoeveel kleinkinderen ik heb en ze zijn heel geïnteresseerd in het boekje dat mijn kleinkinderen voor mijn verblijf in Malawi hebben gemaakt. Ze vinden het prachtig!
Na de lunch nog even tijd voor les en daarna weer patiënten. De middag is meestal een stuk rustiger, de mensen moeten vaak een heel eind lopen en willen voor het avondeten en donker weer thuis zijn.
Vrijdag 5 september.
Het is voor mij het meest mooie zomerweer dat ik me kan bedenken: koel en fris in de ochtend en heerlijk warm in de loop van de dag. Als de zon er goed doorkomt is het behoorlijk warm. Voor de Malawiërs is het koud, ze lopen met truien en vesten aan. In september moet de winter zo langzamerhand gedaan zijn en moet het warmer worden maar daar lijkt het nog niet echt op. De nachten zijn koud, zo’n beetje 16 graden. Ik merk daar niets van, slaap in een comfortabele hut onder genoeg dekens. Maar in de hutjes is het koud. Eén keer per jaar worden er dekens gedeeld en soms slapen er wel vier kinderen onder één deken. De open stook potten staan dan ook nog in de hutjes en in hun slaap kruipen kinderen naar de warmte. Het levert de meest beroerde brandwonden op.
De homeopathische kliniek heeft een goede reputatie als het gaat om de behandeling van wonden. De reguliere kliniek stuurt mensen met beroerde wonden vaak naar ons toe. Onze resultaten zijn prima. En het gaat hier niet om afgunst of geld, hier gaat het om gezondheid.
Deze ochtend kwamen Ruth en Agnes tegen achten aanzetten – het is niet zo dat ze te laat zijn, ze hebben dan ergens anders op het terrein één en ander te regelen. Broodjes voor tijdens de thee, spullen voor in de kliniek, dat kan allemaal vroeg in de ochtend.
Er zat al een dame te wachten. Ze heeft meestal wel een vorm van vervoer maar als ze het lopend moet doen is ze zes uur onderweg.
Maandag 8 september.
Het weekeinde was ik vrij en die dagen heb ik in alle rust doorgebracht, af en toe in het gezelschap van Judy, even wandelen, lezen, breien. Heerlijk uitgerust!
Even na half acht zijn Ruth en Agnes ter plaatse. Er zitten al vier moeders met baby’s op hun rug te wachten. Mijn collega’s komen tot de conclusie dat de schoonmaker er deze ochtend niet is geweest. Hij is naar een begrafenis maar heeft geen vervanging geregeld. Maar zo kunnen we in de kliniek geen patiënten ontvangen. De lemen vloer ligt nog bezaaid met stof en rommeltjes en papiersnippers van de door ratten aangevreten statussen. Eerst schoonmaken! Agnes pakt een bezem en Ruth organiseert een emmer met water en een dweil mop, beiden hangen in één van de boompjes bezijden de kliniek. De dames gaan rustig aan het werk. ik mag niets doen(!). Op deze manier wordt het uiteindelijk na negen uur voor we aan de gang zijn. Niemand maakt zich er ook maar een ogenblik druk over, het komt allemaal goed, de zon schijnt. Witte mensen hebben klokken, Afrikaners de tijd.
Ik werk deze ochtend samen met Agnes, zij doet de intake en het schrijfwerk, samen werken we de gegevens uit. Ruth werkt alleen. Het gaat prima, we hebben de gang erin. Er komt een man aan die zichzelf heel erg belangrijk vindt – hij arriveert per auto, vertelt dat hij haast heeft en wil meteen geholpen worden. En dat gebeurt ook, dat lijkt iedereen wel gewoon te vinden. En ik laat het maar zo.
Even later komt er een man aanhinken. Zijn linker voet is extreem gezwollen – de blik in zijn ogen is beslist niet fris. Hij ziet er trouwens helemaal sjofel en stoffig uit. Hij vertelt dat hij een glassplinter in zijn voet heeft. Dat kan – aan de buitenkant is niets bijzonders te zien. Ruth geeft hem Silica (dat erom bekend staat vreemde voorwerpen naar buiten te werken – het homeopathische chirurgische mes). En daarna blijft de man in de wachtkamer zitten. Ruth, die iedereen in de wijde omgeving lijkt te kennen, vertelt dat hij zwaar alcoholist is en vanaf klein kind af aan enorme problemen heeft veroorzaakt. Tijdens de lunch brengt iemand hem een bord eten. Daarna blijft hij rustig zitten met de boodschap: iemand gaat wel iets voor mij regelen. Nou, dat gebeurt aan het einde van de middag, er komt iemand van het terrein met een fiets en brengt hem waar hij wezen moet. Drie dagen later is hij er weer, deze keer lopend – zwelling nagenoeg verdwenen en een open wond (je) aan de bovenkant van zijn voet. Ruth drukt licht aan de zijkanten en er floept een mega-grote doorn uit. Ze komt het triomfantelijk laten zien terwijl Agnes en ik bij een andere patiënt zitten. Ik hoef mijn collega’s hier niets te leren over wonden en wondverzorging, ze zijn er uitmuntend in! Dit soort problemen zal je in een Nederlandse praktijk nauwelijks meemaken- een verdwenen splinter wordt gewoon gelokaliseerd en verwijderd. Maar dit is Afrika.
Wel heb ik met een beetje zorg gezien dat het verband dat ik meebracht heel erg nodig is, thuis heb ik nog een heleboel, dat gaat ook opgestuurd worden!
Inmiddels is het 11 september, de dagen gaan snel – elke dag gaat rustig werkend voorbij.
Zaterdag gaan we met z’n vieren, Andrea, Agnes, Ruth en ik met de ambulance, volgeladen met spullen uit de kliniek, een dag in een dorpje verderop in het Noorden aan de slag. Als ik het goed heb begrepen, mogen we de school daar gebruiken. Meestal zien we op “outreach” zo’60 tot 80 patiënten per dag.

Tot later.